‘Niemand wordt met probleemgedrag geboren’

niemand wordt met probleemgedrag geborenMarit is moeder van vijf kinderen. De oudste, geadopteerde, kinderen bleken verstandelijk beperkt te zijn. Later werd  ook gehechtheidsproblematiek vastgesteld. Ze ervaarde dat haar kinderen op hun gedrag beoordeeld werden zonder dat gekeken werd naar de achterliggende reden. ‘Met probleemgedrag word je niet geboren. De meeste kinderen worden zo gemaakt omdat ze afhankelijk zijn van hun omgeving’, stelt Marit. ‘Samenwerken met zorgverleners is noodzakelijk om onze kinderen een gelukkig en stabiel leven te kunnen blijven bieden.’

De oudste kinderen bleken na onderzoek in Nederland gemiddeld twee jaar ouder te zijn dan gedacht. Ze waren echte straatkinderen en hadden leren overleven. Haar zoon ging naar een kleine basisschool. Haar dochter ging naar een peuterspeelzaal. Wanneer de kinderen thuis waren, waren ook de ouders thuis. Intuïtief kozen zij voor een duidelijke en vrij strakke opvoedingsstijl. De kinderen reageerden hier goed op. Na verloop van  jaren leerden alle kinderen zich veilig te hechten.  Marit voelde echter dat er iets niet klopte in het gedrag van haar kinderen. Zij schakelde  daarom hulpverlening in. Haar gevoel bleek  juist. Het advies bestond uit het aanbieden van therapieën om trauma’s te verwerken en overplaatsing naar aangepast onderwijs. Ook dit werd een zoektocht, waarbij overschatting van de kinderen een rode draad bleek. Uiteindelijk werden ze aangemeld bij het speciaal onderwijs.

Toen de hulpverlening veranderde in MEE  werd pas duidelijk dat de kinderen verstandelijk beperkt zijn. Ook volgde het advies om haar zoon uit huis te plaatsen. Marit en haar man  kozen ervoor dit niet te doen. Ze kregen voldoende ondersteuning en de kinderen ontwikkelden zich goed , zelfs verder dan aanvankelijk verwacht werd. Helaas leidde deze groei ook weer tot een snelle overvraging en overschatting.

Geruime tijd is gebruik gemaakt van weekendopvang in een kortverblijf huis. Dat verliep zeer goed. Ieder kreeg even rust en zo konden Marit en haar gezin met elkaar verder. Na enkele jaren ging  haar dochter in een instelling wonen. ‘Ik ging ervan uit dat de zorginstellingen ook voldoende deskundigheid zouden hebben en er meer rust zou komen, zodat we weer “gewoon” ouders zouden kunnen zijn.’ Het team van hun dochter bleek stabiel te zijn, met een goede leidinggevende. Hij stond open voor nieuwe invalshoeken en wilde vooral samenwerken en leren van elkaar. Daardoor gaat het goed met hun dochter.

Toen haar zoon een plek kreeg, was  dit een ander verhaal. Elke vorm van samenwerken, werd door het team ervaren als ‘lastig’ en bemoeizucht. Het team wisselde voortdurend, de sfeer was om te snijden en er was sprake van beheersmatig werken. ‘Mijn kinderen zijn zeer sensitief  en kunnen niet tegen spanningen in hun omgeving , ze reageren daar direct op.’ Haar zoon nam dus letterlijk de benen en is gaan zwerven. Echter, het contact met zijn ouders handhaafde hij.

‘Snel werd hij door de zorg geplaatst in het vakje “gedrag problematisch”, terwijl hij in feite om hulp schreeuwde en weer thuis wilde wonen,’ zegt Marit. ‘Hij werd beoordeeld op zijn gedrag in plaats van dat er gekeken werd naar de achterliggende boodschappen. En dat waren er veel.’
Het CCE is ingeschakeld en zij stonden Marit terzijde en voerden gesprekken met de instelling.

Essentieel volgens Marit: samenwerken met alle betrokken is noodzaak om goede hulp aan kinderen te kunnen bieden. ‘Ook ouders hebben hun deskundigheid, leer daar gebruik te maken en neem elkaar serieus, luister naar elkaar en blijf vooral groeien in de kennis. Tenslotte: draag zorg voor stabiele teams met deskundige medewerkers die gesteund worden door een zakenkundige psycholoog/ orthopedagoog. Dit alles draagt ertoe bij dat deze kinderen een gelukkig en stabiel leven kunnen krijgen en houden.’

Karin Smeets
Bron: CCE magazine nr. 1/2014

Geef een reactie