Mijn thuis

Gezellig ovogelp je eigen kamer zitten, alleen of met een huisgenoot, met je eigen muziek, je eigen spulletjes. Samen thee drinken en een beetje babbelen wanneer je van je werk thuis komt. Dat willen we toch allemaal?

Regelmatig geconfronteerd worden met ruzies tussen de mensen die jou zouden moeten begeleiden. Ruzies waar je niets mee te maken hebt. ‘Laat ze dat thuis uitvechten. Hebben ze niets beters te doen. Hallo, ik ben er nog! Ja, die persoon die jullie moeten begeleiden!’ Zeggen kan je het niet.  Je gaat gewoon weg. Weg van die ruzies.  Je bent boos. Het is jouw huis en daar moet het gewoon gezellig zijn.
Je niet meer veilig voelen in je eigen huis, je kan je dat nauwelijks voorstellen. En toch overkomt het jou. Niet één maal, maar keer op keer…!

Niet welkom zijn, mensen die lelijk tegen je doen en je ineens gaan slaan of bedreigen en op de grond drukken. Die stok die hij in zijn hand heeft, is niet leuk. Je pas versneld op zoek naar veiligheid. Op zoek naar hulp. De angst voor dat dreigende stuk hout in de hand van de ander, neemt toe. Je duikt in elkaar, de slagen komen hard aan. Een hese schreeuw klinkt.
Je voelt je niet veilig in jouw huis, waar mensen je kunnen opsluiten. Zomaar omdat ze een sigaret willen roken of moeten vergaderen. Jou alleen laten in je kamer en soms ook met de deur op slot. Gelukkig heb je nu wel een eigen badkamer, anders zetten ze die vieze stink po neer. Daar plas ik toch niet op.
Mensen die jou niet goed lijken te begrijpen; je boosheid verkeerd uitleggen en vergeten dat jij degene bent die begeleid moet worden. Of is begeleiden beheersen geworden? Alleen mijn moeder begrijpt mij.

Maar waar moet je dan heen, wanneer je afhankelijk bent van juist die mensen die niet met jou bezig zijn, maar wel met zichzelf?  Bang zijn hun baan te verliezen, want je hoort ze wel praten. je hoort wat ze zeggen. Vaak gaat het niet eens over jou. Wat kan jij eraan doen dat er steeds weer van alles verandert in de zorg. Jij hebt er niet om gevraagd. Jij wilt al die verschillende mensen niet eens.
En dan gaan ze ook nog voortdurend buiten op jouw bank zitten kletsen en roken. De bank die niet meer jouw bank is. Ik rook niet.

Je wilt weer terug naar huis, het huis waar het wel gezellig is en waar je welkom bent, het huis waar je familie woont. Waar zoveel leuke dingen gebeuren en altijd gezellige mensen zijn. Soms zijn er wel eens woorden, maar die gaan zo weer voorbij. Daar is het fijn. Maar je durft niet zo goed meer. Je bent al zo vaak naar je familie toe gegaan, wanneer je je niet veilig voelde. Ze zijn er altijd voor mij. Er is altijd wel iemand thuis.

Maar straks willen ze jou ook niet meer.  Misschien zijn ze wel boos. Die gedachtes spoken wel door je hoofd. En soms wil je dan even dood. Je gaat op zoek naar een ander  thuis en klopt bij wildvreemden aan. Je slaapt in schuren of gewoon buiten op de bank.
Zo vaak verjaagd en afgewezen worden; steeds weer naar een ander huis overgeplaatst worden. Het richt veel schade aan. Je begrijpt er niets meer van. Jij maakt toch geen ruzie?
En dan zit je eindelijk in een huis waar je je prettig voelt en dan begint het weer opnieuw…. Weer die ruzies tussen de leiding en  weer die hoeveelheid begeleiders, die maar komen en gaan. Ik heb wel genoeg van die flexers. Ze kennen mij niet eens. Je hebt er geen zin meer in, je gaat zelf weg, maar waarheen?
Naar mijn thuis!

 

Geef een reactie