Doorslikken

doorslikkenKijk haar nou, zo lief. Ze slaapt. Als je niet beter wist en in een poëtische bui was zou je zeggen:  ze slaapt de slaap der onschuldigen. Ik schuif het gordijn zo geruisloos mogelijk open, het  door de vitrage getemperde licht komt binnen, wazig licht dat de kamer mooier maakt. Die vitrage hangt hier al heel lang, een erfenis van de vorige bewoners. Het licht is zacht, zo wordt Erica niet uit haar roes gewekt. Erica is mijn vrouw, ooit mijn steun en toeverlaat.  “Wat doe je?” haar stem schiet uit. “Waarom doe je dat nou?”
Ja, waarom. Het was beter geweest om haar gewoon te laten liggen en net als elke ochtend het pand te verlaten zonder haar schorre stem te horen. Dan had ik niet gekeken naar die magere hand die gejaagd zoekt naar het witte doosje op het nachtkastje. Ze heeft haar ogen weer gesloten. Er is geen water meer bij nodig, ze slikt een paar keer en draait zich dan om.

‘Slaappillen’ staat er op het doosje. Of eigenlijk iets anders, een merknaam, niets wat de leek op de gedachte kan brengen dat het hier om een drug gaat. Oxazepam, soepel rolt het uit je mond met die zachte zet van zaze.  Oxaze, kamikaze. Schaapje schaapje heb je witte wol, drie zakken vol, vol met oxazepam ja, slaap nu maar zacht mijn roosje.“Ik ga naar kantoor,” zeg ik dan maar. Als ik binnen nu en vijf minuten nog eens naar haar kijk zal er een andere vrouw in ons bed liggen. Geen beweging in te krijgen, dood gewicht dat nauwelijks ademt.

Zonder mother’s little helper lukt het niet meer en ik weet het, als ik wakker ben tenminste.
Bijna twee miljoen mensen slikken elke dag, hoeveel kwaad kan het nou helemaal? Twee miljoen mensen, dat  zijn toch niet allemaal goedgelovige sukkels? Omdat ik paniekaanvallen kreeg moest ik er antidepressiva bij gaan slikken vond mijn huisarts. Bijkomend nadeeltje: mijn libido verdween alsof het nooit had bestaan. Libida libido hoe komt dat zo? Ik begon dingen te vergeten en reed zonder mijn zoon weg toen ik hem van voetbal ging ophalen. Ik ben een junk. Als ik mijn doosje niet in mijn handtas heb ga ik gekke dingen doen. Ik doe mijn ogen open en ik weet even niet meer waar ik ben. Is dit bed, is deze kamer de plek waar ik thuishoor? Wat een belachelijke vitrage hangt er voor het raam, hebben wij die uitgekozen? Ik kijk naar het verschoten bloemetjesbehang met de scheuren bij de naden en voel de angst omhoogkomen. Wat zit er achter dat behang, wat kruipt er uit die naden dat ik niet kan zien en niet kan horen, maar het is er, dat voel ik. Ik knijp mijn ogen samen, waarom zijn die gordijnen niet gewoon dicht, dat licht is veel te schel en ik ben veel te moe om uit mijn bed te komen dus ik moet me omdraaien om het niet meer te zien. Omdraaien, hoe ging dat ook al weer? Hoe laat is het eigenlijk, moet ik niet ergens naar toe, moet ik niet iets doen vandaag?
Ik weet het niet meer en als ik eindelijk om ben gedraaid zijn mijn ogen weer dichtgevallen en zink ik weg. Ik zink en ik zink, ik ben een oude boot die allang is vergaan.

De kinderen zitten naast elkaar op de bank, elk met hun eigen spelletje en ze kijken niet op als ik hoi zeg. Ja, hoi, hoezo hoi.
“Waar is mama?” vraag ik tegen beter weten in. Mijn dochter van tien kijkt me aan met een blik in haar ogen die ze niet zou mogen hebben op haar leeftijd.
“Mama is er niet,” komt het dan volkomen onverwacht. Hoezo, mama is er niet? Het holle gevoel in mijn maag wordt sterker, ik voel me als een te ver opgeblazen ballon die op knappen staat. Mama hoort er te zijn;  in een flits zie ik mijn eigen mama, voorover gebogen bij de tafel waar ze altijd zat met de traditionele thee. Ik neem de trap met drie treden tegelijk en kijk om de hoek van de deur. Geen mama. Het bed is opgemaakt en dat op zich is iets om heel erg bang van te worden. Ook geen doosje met oxazepam erop geschreven. Ik storm naar beneden en schud mijn dochter door elkaar.
“Waar is ze dan? Hoe lang zitten jullie hier al?”
Mijn zoontje barst in snikken uit, mijn dochter heeft zich losgerukt en haar gezichtje is vertrokken,  volwassen haat straalt uit haar donkere ogen, de ogen van mijn vrouw. Ik ga naast mijn zoon zitten en maak een gebaar in zijn richting, ik weet zelf niet wat ik precies bedoel, wil ik hem aaien of een arm om hem heen slaan? Ik voel hoe ik in elkaar schrompel, ik voel me kleiner en kleiner worden en ik wil dat ze me troosten, die kleine lijfjes om me heen draperen en zachtjes in mijn oor fluisteren dat het goed komt, ja, het komt goed papa, wees maar niet bang.

“Wat zitten jullie daar nou?” daar staat ze, Erica, mama, in haar handen tassen met boodschappen, in elke hand een. “Help me even met wegzetten,” zegt ze tegen onze dochter.
Alsof dit tafereel in ons huishouden dagelijkse kost is loopt ze door naar de keuken, mijn dochter in haar kielzog. Ik hoor de kastjes open en dicht gaan, ik hoor de zoemende  ijskast en vermoed dat ze daar een pak melk uithalen.
“Wil je ook koffie?” haar hoofd met de wilde krullen waar ik altijd zo van heb gehouden komt om de hoek kijken. Heldere bruine ogen, niks mis mee. Ik hoor dat mijn dochter melk aan het opkloppen is en ze neuriet een lang vergeten liedje. Ik kijk opzij naar mijn zoon, die nog steeds naast me zit. Zijn tranen zijn opgedroogd maar ik zie de sporen op zijn wang nog zitten. Is hij net zo verbaasd als ik?
Ze lijkt wel een kameleon, die vrouw van mij, wat moet dat voor een joch van acht zijn? Hij weet niet beter of zijn moeder ligt in bed. Moeder en dochter komen binnen met de koffie en voor hem een glas cola. Is het feest of zo? Mijn dochter straalt, weg is de volwassen haat in haar ogen, ze giechelt als haar broer bellen blaast in zijn cola. Mijn vrouw gaat naast me  zitten:
“Gezellig hè?” en ze legt zowaar mijn hand op haar bovenbeen.
Ze heeft een King Louie zomerjurk aan die ik al lang vergeten was, een lief kort zomerjurkje dat nauw aansluit en herinneringen naar boven haalt uit de tijd dat we nog vreeën. Waar moet dit eindigen?
Ik besluit dat ik in het moment wil leven, dit is het moment, geniet er van. Morgen is ver weg. Morgen kan ik misschien thuis blijven en de doosjes door de wc spoelen, maar terwijl ik dat bedenk weet ik dat ik het lef niet heb. Ik knijp zachtjes in haar been. Ik voel het zachte vlees onder mijn hand, zacht met een stevige bite, en probeer me te herinneren hoe vaak zo’n hand op haar been eindigde in zacht strelen en kroelen en hijgen en zoenen en al die andere dingen die onherroepelijk verleden tijd werden toen de doosjes in onze slaapkamer hun intrede deden. Mijn hand wordt nu in mijn schoot teruggelegd en ik hoor haar zuchten.
“Lekker, die koffie,” zeg ik tegen mijn dochter. Ze lacht dankbaar en ik voel de pang in mijn hartstreek, PANG wanneer heb ik voor het laatst echt naar dat kind van mij gekeken, echt geluisterd naar wat ze niet vertelt? Hoe kan ik ooit goedmaken dat ik de witte doosjes in ons leven heb toegelaten? Ze is alweer verdiept in het spelletje op haar schoot en ik neem een besluit: ik bel vandaag nog de apotheek en zeg dat er geen bestellingen meer komen.

Ik loop de tuin in met de telefoon in mijn hand, toets het nummer van de apotheek in en als er aan de andere kant wordt opgenomen sluit ik af. Mijn hart klopt in mijn keel, ik bekijk  de verwaarloosde rozenstruik alsof die er gisteren nog niet stond, de stoffige dofgroene blaadjes en de zielige bloemen. Ik loop er naar toe en ruk er een rozerode knop af, er blijft een doorn in mijn handpalm zitten, het bloed dat er uit komt lik ik op. Rozen in de knop gebroken, dat voelt goed. Er moet nog iets anders zijn dat er om vraagt vernield te worden, maar ik kan het in de tuin niet vinden, ik draai me om en loop de kamer weer in. Tafereel: een moeder die met haar kinderen op de bank zit, niks aan de hand, gezonde kinderen en een vlekkeloze moeder. Ik blijf staan en stort inwendig in elkaar, als een wankel bouwwerk dat een laatste duwtje krijgt. Als er iemand hier in huis een beslissing neemt is zij het, mijn vrouw, mijn Erica die altijd naar warm doorstoofde hei rook.

De koffer staat gepakt, we staan tegenover elkaar in de slaapkamer en ik kijk om me heen. “We moeten iets doen aan die scheuren in het behang, vind je ook niet?”
En als er niks terugkomt: “Wat ga je de kinderen straks vertellen?” Ik zie dat hij schrikt. Ik weet dat hij ze niets heeft verteld. Ik ken hem toch, ik houd van hem omdat hij zoiets niet durft. Elke kleine beweging in zijn gezicht, zijn handen die aan een draadje van zijn trui peuteren roepen heel hard recht in mijn gezicht: ‘Niet weg gaan!’
Zoals hij daar in die hoek bij het raam staat, de vitrage waait de kamer in en omhult hem in een bleke waas. Zo wil ik het me herinneren. Ik loop langs hem heen, de kamer uit. 

En nu is ze weg. Ze is weg, met die koffer en op haar hoge hakken, rechtop en onstuitbaar, het laatste witte doosje heeft ze in mijn hand geduwd.  Oxazepam, kamikazepiloot Erica, op weg naar de kliniek. Ik ga op het onopgemaakte bed liggen en ik ruik Erica, zo ruikt het als ze warm van de slaap naast me ligt. Achter de scheuren in het behang beweegt iets, het ritselt  zacht. Ik voel de slagen van mijn hart, rustige, gelijkmatige slagen en ik tel elke inademing, tel tot tien en weer terug en zo glijd ik zelf ook weg, de eerste diepe slaap in maanden glijd ik binnen. De vitrage waait op in het openstaande raam, de zomer komt binnen en het zonlicht strijkt over het doosje waar alle pillen nog inzitten, netjes op een rij.

Ellen Smal

 

 

Geef een reactie