Dood

berkNa een bijzonder vreedzaam en gelukkig leven van bijna 22 jaar is afgelopen week onze kat Vlekje van ons heen gegaan. Zij lag die morgen niet als vanouds in haar warme mandje in de schuur. Ook haar eten was nog niet aangeroerd. Wij vonden haar bij de trekker. De plek waar zij altijd op de zitting van de trekker zich in de zon lag te koesteren.

Ze heeft een mooi leven gehad. Een leven waar velen haar veel liefde een aandacht heeft gegeven. Aandacht die ze soms wel moest delen met onze hond Eva.
Al onze dieren zijn met elkaar opgegroeid en zijn bijzonder tolerant voor elkaar. Eva en Vlekje gaven elkaar zelfs kopjes, en deelden soms de etensbakken. Althans wanneer de ene haar eten liet staan, zorgde de ander er wel voor dat de bak wel leeg kwam. En wanneer we buiten op het terras zaten, volgden Vlekje en Eva ons meteen en gingen in onze buurt liggen. Dat leverde een huiselijk tafereel op. Beiden lusten ook pinda’s, wat vaak tot komische taferelen leidde, vooral wanneer het doppinda’s betrof. Pinda’s die ze met een vaardigheid van een papegaai wisten te doppen.

Toen we Vlekje vonden, was dat wel even emotioneel. 22 Jaar is tenslotte een lange periode waarin veel plaatsgevonden heeft.
Hoe zal onze gehandicapte dochter hierop gaan reageren, schoot door mij heen? Net zo als wij?
Toen ze nog thuis woonde zorgde zij voor Vlekje. Nu ze zo nu en dan op bezoek komt, is altijd haar eerste vraag: ‘Moeten de dieren nog eten krijgen. En hoe is het met Vlekje?’. ’Ligt ze nog in haar mandje of heeft ze een plekje in de zon gevonden. Want ze houdt wel van de zon, hè mam’.
We hadden al een soort van scenario bedacht hoe en wanneer we het haar zouden vertellen en hielden rekening met zowel een emotionele reactie als helemaal geen reactie. Want dit is nauwelijks te voorspellen bij haar.

In tegenstelling tot andere bezoeken wilde ze eerst thee drinken en na de wandeling die we met haar en haar broer zouden gaan doen, zou ze zich wel met de dieren bezig houden.
De auto staat in de schuur en we stappen in. Ineens vraagt ze: ‘Mam, waar is Vlekje? Ligt zij niet op haar plek in de mand?’. En ineens sta je er voor, het hoge woord moet er uit, weg alle scenario’s. Maar voordat wij wat konden zeggen, zei haar broer: ‘Zij is dood’. Weet je dat dan niet?’‘Is ze dood mam?’ Ik bevestigde dat en wilde haar vertellen waar we haar gevonden hadden en waar ze begraven is. Het blijft echter bij een voornemen. ‘Krijgen jullie dan nieuwe poesjes? Dat moet wel hoor mam, want die kunnen dan muizen vangen.’
Ik vertel haar dat we eerst even stil moeten staan dat Vlekje er niet meer is en je dan niet zomaar een andere poes kan nemen. Ze beaamt dat. ‘Maar mam, als je nieuwe poesjes neemt, bel je mij dan op, dan kan ik ze meteen zien’. ‘En weet je mam, dat deed je ook toen jullie nieuwe kuikentjes kregen en ik die mocht aaien’. ‘Ze zijn zo zacht mam’ en terwijl ze mij aan de arm schud, ’vergeet mij niet te bellen mam’.
Ik beloof haar dat ik zal bellen, maar dat het ook nog wel twee maanden kan duren.

We gaan wandelen. Een staat een heerlijke koud windje. Tranen schieten in mijn ogen en stilletjes pink ik een traantje weg.
Onze dochter pakt mij bij de arm: ‘Koud hè mam, daar moet je altijd van huilen’.

Geef een reactie